Bestellen
Jan Mertens

Mijn leven als vakbondsman en politicus

Bewerkt door Arie Kuiper
Mijn leven als vakbondsman en politicus

Vanuit een armoedige jeugd had Jan Mertens zich opgewerkt tot een vooraanstaand vakbondsman en politicus. Legendarisch werd hij door wat hij op 19 oktober 1968 in een toespraak zei: ‘In Nederland’, zei Jan Mertens, ‘is de hele economie in handen van rond tweehonderd personen. Van een groep mensen die elkaar goed kent en elkaar frequent ontmoet in verschillende colleges. Het is een even deskundige, financieel sterke als beangstigende groep.’ Het begrip de Tweehonderd van Mertens was geboren. In 1977 ging hij met pensioen, maar hij bleef zich inzetten voor mens en maatschappij. Hij overleed in augustus 2000, op 84-jarige leeftijd. Jan Mertens heeft een lang, interessant en veelbewogen leven gehad. Hij is geboren en opgegroeid in een tijd die nog maar kort achter ons ligt, maar die wel lichtjaren ver weg lijkt: échte armoede, enorme standsverschillen, een allesoverheersende rol voor het kerkelijk en religieus leven – de meesten van ons kunnen zich er niets
meer bij voorstellen. Sindsdien heeft zich in kerk en maatschappij een enorme omwenteling voltrokken. Deze verandering is minstens ten dele teweeggebracht door de ‘verzorgingsstaat’ die in Nederland na de Tweede Wereldoorlog werd opgebouwd. En Jan Mertens is een van degenen die deze verzorgingsstaat – letterlijk – meegemaakt hebben. Kennelijk was Jan Mertens zich er ook van bewust dat zijn levensverhaal bijzonder was. De jaren na zijn pensionering heeft hij gebruikt om zéér uitvoerig zijn herinneringen op te tekenen. Hij had genoeg stof voor een boek van wel 2000 bladzijden. De journalist Arie Kuiper, oud-hoofdredacteur van De Tijd, heeft op bekwame wijze dit verhaal ingekort tot een hanteerbare omvang van ca. 400 bladzijden. Hieronder volgt een deel uit zijn boek. In dit tweede hoofdstuk vertelt Jan Mertens over zijn jeugdjaren in het West-Brabantse Dongen. We schrijven eind jaren twintig, begin jaren dertig... Zie onder voor het citaat en de inhoudsopgave.

De herinneringen van Jan Mertens verschijnen als deel 17 in de MemoReeks.


Hoofdstuk 2
Armoede

Ik denk dat wij het thuis relatief goed hadden. Mijn vader was nooit werkloos en wij werden altijd netjes gekleed. Vader kwam wel eens dronken thuis en dat vonden we heel erg. Moeder huilde dan. Vader werd door de buren terechtgewezen: ‘Hoe kan je dat nou doen? Je hebt een goede vrouw en schone kinderen. Zeker verkeerde vrienden.’
Totdat wij gingen verhuizen werkte mijn vader als eerste knecht op een boerderij, een kilometer of acht bij ons vandaan. We gingen er op zondagen wel eens heen. Toen kwam vrij plotseling de verhuizing en niemand begreep waarom. We gingen wat verder in de buurt in een heel oud landarbeidershuisje wonen. Het was veel minder dan ons oude huis. We konden het niet vatten, maar we bleven gelukkig in de buurt.
Vader veranderde ook van baas en kort daarna kwam de boerenmeid die ook bij zijn vorige baas werkte, tijdelijk bij ons inwonen. Zij ging in Breda in de Kwatta-fabriek werken. Daarna verhuisde zij naar elders.
We zagen moeder vaak met betraande ogen, maar begrepen niet waarom. Vader kwam met het plan in Frankrijk te gaan werken. Daar kon bij de boeren goed geld worden verdiend, die hadden graag Hollanders. Vader schafte zich een leerboekje voor de Franse taal aan. Hij zou vooruit gaan om werk en een woning te zoeken, daarna zouden wij komen. Maar we mochten er met niemand over praten.
Op zondagavond 11 april 1926 nam hij gepakt en gezakt afscheid van ons. Hij zou naar de grens fietsen en vandaar met de trein naar Frankrijk reizen. We huilden allemaal. We gingen slapen en de volgende morgen huilde moeder nog steeds. Ze had de hele nacht niet geslapen. En toen we uit school kwamen, vertelde zij ons dat ze niet wist hoe het verder moest. Ze had maar enkele centen in haar portemonnee. Vader had alles meegenomen, ook het spaarbankboekje. We moesten toch verder leven totdat vader ons kwam halen om naar Frankrijk te gaan? Dat kon best een hele tijd duren.
In die week kregen we veel bezoek van mensen uit de buurt, van de pastoor, van tante Lies uit Tilburg en van oom Jan uit Dongen. Zij hielpen ons moeder.
Aanvankelijk liet moeder ons in de waan dat vader terug zou komen om ons op te halen voor de verhuizing naar Frankrijk. Dat geloofden we vast en ik vertelde het ook aan mijn vriendjes. We schreven zelfs brieven, mijn zusje en ik, die moeder zou posten. Maar al spoedig wisten we dat moeder geen adres had en zelfs niet wist waar vader zat. Geen taal of teken liet hij van zich horen.
Uit de gesprekken die moeder voerde met oom Toon en tante Lies uit Tilburg en oom Jan en tante Drika, die bij ons wat verder in de buurt woonden, vingen wij op dat vader zijn vrouw en kinderen had laten zitten en er met een andere vrouw vandoor was gegaan. Dat was die boerenmeid die korte tijd bij ons had gewoond. Veel later zou mij blijken dat deze vrouw een zus was van een goede en actieve vakbondsman uit Gilze die er met mij nooit over heeft gesproken, om mij ervoor te behoeden dat die oude kwestie weer zou worden opgerakeld.

Mijn moeder wilde nooit een kwaad woord over mijn vader spreken of horen. Dat kwam voort uit haar diepe geloof. Op haar lippen lag steeds ‘vergeven en vergeten’ en ‘wie God bewaart is wel bewaard’. We moesten voor hem bidden. Bidden behoorde tot het vaste levenspatroon in ons kleine gezin. Iedere avond op de knieën voor het bed, voor het avondgebed en een staart eraan, en in de mei- en oktobermaand elke dag het rozenhoedje, maar dan mochten we zitten.
Naarmate de tijd verstreek hoorden en begrepen we meer. Mijn vader en die vrouw hadden hun fietsen aan de grens laten staan, waar ze werden opgehaald door de mensen aan wie ze waren verkocht. Vader leefde met haar samen in Frankrijk en werkte inderdaad bij een boer. Een gedeelte van zijn familie had contact met hem, maar niet oom Jan en tante Drika en grootvader die bij hen inwoonde. Dat bracht een zekere verwijdering in de familierelaties.
Ondanks de vele hulp die we kregen zaten we er hard voor. Moeder moest gaan werken in gezinnen waar ze werd gevraagd of gezonden door de Vincentiusvereniging, een katholieke vereniging voor armenzorg. Ze deed ook wat naai- en verstelwerk. Een van de gezinnen waar ze ging werken was dat van een oudtante die een boerderij had. Haar man was ziekelijk. De ongetrouwde kinderen deden het boerenwerk en moeder hielp in de huishouding. Zij werd doorgaans betaald in natura: aardappelen, groente en melk.
Maar al die hulp was niet genoeg om ons gezin in leven te houden. We waren aangewezen op de Vincentiusvereniging en op het burgerlijk armbestuur. Op het gemeentehuis moesten we elke maand bonnen halen voor de bakker en de kruidenier, en voor kleding en schoeisel gingen we naar de heerboer waar oom Jan de eerste knecht was. De naam Vincentius werd nooit genoemd, dat ging allemaal heel discreet, maar toch, de gang naar het gemeentehuis en de heerboer was vernederend.
Ook de pastoor en kapelaan Lips kwamen regelmatig op bezoek. Dan stopten zij mijn moeder iets toe en ze informeerden met oprechte belangstelling hoe het allemaal ging. Over de godsdienstige ijver van mijn moeder hadden zij niets te klagen. Zij was zeer gelovig en onze gang naar de kerk behoorde tot het gewone levenspatroon. Maar mij stak het wel eens dat wij in de kerk op de armenbankjes moesten zitten en amper konden zien wat op het altaar gebeurde. En aan de processies van de H. Kindsheid konden we alleen deelnemen in de allerlaagste rang, in de groep herdertjes met alleen een sjerp om. Dat was het goedkoopste. De rijke kinderen liepen altijd in de hoogste en duurste rangen. En één keer, toen mijn moeder helemaal niets kon betalen, mocht ik meelopen als drager van een groepsbordje met nummer zoveel erop, dat kostte niets. Na afloop van de processie kregen alle deelnemende kinderen in de betaalde rangen twee eierkoeken en de groepsbordjesdragers één.

In het najaar van 1926 kwam de vrouw van een winkelier vragen of Jantje na schooltijd geen boodschappen kon komen wegbrengen. Zij had een kruidenierswinkeltje waar ook ellegoed werd verkocht, niet ver van ons vandaag, en ze had gehoord dat moeder wel wat bijverdienste kon gebruiken. Moeder vond dat ik dat moest doen. Tante Lies had mij op mijn verjaardag haar fiets gegeven, dus een fiets had ik.
Zo ben ik dus, toen ik tien jaar oud was, boodschappen gaan wegbrengen, elke dag na schooltijd tot een uur of acht en elke zaterdagmiddag, maar niet elke woensdagmiddag, want ik moest ook nog wat kunnen spelen. Dat heb ik gedaan tot ik zestien was, later geholpen door mijn zus. Ik verdiende er twee tot drie gulden per week mee en ik was elke avond bij die mensen in de kost voor een warme maaltijd. Het was erg zwaar en toch ook wel plezierig. Ik was een bescheiden jongetje uit een belast gezin en nu kwam ik elke dag onder de mensen, boodschappen opnemen en thuis brengen in heel Dongen. Dat heeft me veel zelfoverwinning en ook pijn gekost. Vaak die pijnlijke vraag: ‘Ben jij geen ventje van Mertens uit de Bergen?’, en dan wist je meteen wat ze bedoelden.
De winkelier heette Jan Ballemans maar werd door iedereen Jan Bal genoemd. Hij had een zoon op priesterstudie bij de Kruisheren en een dochtertje. Hij was leerlooier geweest maar zeer astmatisch geworden. Soms had hij aanvallen die dagen duurden. Hij had zich daarna opgewerkt tot winkelier en zichzelf lezen en schrijven geleerd. Hij schreef de woorden op de nota’s zuiver op het gehoor – fonetisch. Zijn vrouw, Pietje Bal, was een klein pittig vrouwtje die goed kon verkopen. Als het nodig was kon ze lachen en huilen tegelijkertijd.
Ik was daar binnen de kortste keren kind aan huis. Ik deed van alles en deed aan alles mee. Jan Bal noemde mij ‘de chef van de zaak’. Ook hielp ik zijn dochter bij het maken van haar huiswerk. Ik werd als het ware in de familie opgenomen. Er werd voor mij ook een speciale fiets gekocht met een heel breed stuur, een tweedehands bakkersmandfiets.
Jan Bal was scrupuleus secuur. Voor elke route gaf hij mij een afzonderlijk geldbuideltje met tien gulden kleingeld: acht gulden, vier kwartjes, acht dubbeltjes, een stuiver, twee halve stuivers en tien losse centen. Ik ben maar één keer een dubbeltje tekortgekomen, maar na enig nadenken wist ik waar ik te weinig had teruggekregen. Dat was snel opgelost. Mijn moeder had mij ingeprent dat stelen heel erg was, niet zozeer voor degene die bestolen werd maar voor degene die stal.
Ik mocht niet bij alle klanten de boodschappen bezorgen. Er waren slechte betalers die door Pietje Bal zelf werden bediend. Wel had ik klanten die telkens één gulden extra betaalden om hun schuld af te lossen. Die mensen waren heel erg arm. Maar mijn meeste klanten had ik onder de welgestelden bij wie ik aan de deur of in de gang moest wachten en waar het binnen heel mooi was.
Naast het geld dat ik verdiende werd mij vaak wat uit de winkel toegestopt. Van Pietje kreeg ik bij feestdagen een lapje stof, een paar kousen of iets anders mee naar huis. Zij deed dat buiten de baas om, want de rechterhand hoeft niet te weten wat de linkerhand doet. Ik was ook betrokken bij alle familiefeestjes. Ik mocht in 1932 zelfs mee naar de priesterwijding van hun zoon in Neerbosch bij Nijmegen.
Ik denk dat Jan en Pietje in stilte de hoop koesterden dat ik uiteindelijk in de zaak zou komen. Zij waren oude mensen die alleen hun kleine dochtertje hadden om hen op te volgen. Het werd wel eens verholen gesuggereerd. Maar veel hoop hadden ze niet, want ik was volgens hen veel te wijs voor mijn leeftijd, ik zou wel een heel andere richting uitgaan en dan misschien verkeerd terechtkomen. Ik las te veel en misschien wel verkeerde boeken. Ze hadden er wel eens met hun zoon over gesproken. Ik schreef hem een brief toen hij werkte in Minnesota in de Verenigde Staten. Hij stelde mij gerust, ik moest mijn eigen weg volgen.
Maar wat die eigen weg betrof, daarvan had ik het vermoeden dat er weinig van terecht zou komen. Ik wilde schrijver/journalist worden, maar hoe moest dat?

Schrijver of journalist is Jan Mertens niet geworden, maar talent op dat gebied had hij zeker, zoals blijkt bij lezing van zijn levensverhaal. Mijn leven als vakbondsman en politicus verschijnt in april 2004. Voor meer informatie of bestellingen kunt u contact met ons opnemen.

Inhoud

1. Dongen
2. Armoede
3. Typograaf en Jonge Werkman
4. Vakbondslid
5. Bezoldigd secretaris
6. Oorlog
7. Katholieke Actie
8. Bevrijding en herstel
9. Riet Dekkers
10. Voorzitter
11. Huisvader
12. De Stem en andere activiteiten
13. Naar Utrecht
14. Brabander in het noorden
15. Hard werken en een groot gezin
16. Reizen naar het buitenland
17. Vakbeweging en politiek
18. Voorzitter van het NKV
19. Vaders mogen niet huilen
20. Sociale volksverzekeringen
21. De hogeschool van het leven
22. De Volkskrant en drukkerij Lumax
23. Perscombinatie
24. Engeland en Wales
25. De identiteit van het NKV
26. Uitkijken en de dagen tellen
27. De Nacht van Schmelzer
28. De KVP-radicalen
29. Joegoslavië
30. Israël
31. Verwantschap met het NVV
32. De Tweehonderd van Mertens
33. Roemenië en Rome
34. Een sterke vrouw
35. Het NKV verlaten?
36. De ENKA-bezetting
37. Staatssecretaris
38. Meneer of excellentie
39. Geen echte politicus
40. Welsprekende zwijgzaamheid
41. Versierselen voor het carnaval.
42. Het sociale verzekeringswoud
43. Genève, vakantie en de AAW
44. Terug naar Dongen
45. Grenzen aan de solidariteit?
46. Kabinetscrisis en nog meer
47. Aan werk geen gebrek
48. Interventie bij de paus
49. Voor de eerste keer patiënt
Nawoord

  • ISBN 978 90 5625 168 0 
  • Omvang 360 blz. 
  • Formaat 13 x 21 cm 
  • Uitvoering ingenaaid 
  • NUR 680 
  • Prijs €18,00 
Bestellen
Notificeren
Breng iemand anders op de hoogte van dit product